Makassar van Het M.S. De Tegelberg
door Thea Droog

Mientje hoorde hoe de grote mensen zacht zaten te praten op het platje.

Ze luisterde en herkende de zware stem van haar vader, de zachte maar duidelijke woorden die tante Laurien sprak. Ze kneep haar ogen een beetje dicht bij de korte schampere lach van oom Hoogeveen.

Ze kon nog niet slapen. Morgen moesten ze zich inschepen maar er was nog niets gepakt. Dacht nou niemand daaraan? Koffers hadden ze natuurlijk niet, maar ze hadden zelfs geen grote tassen in huis. Mien piekerde daar al dagenlang over, maar als ze er iets over vroeg aan een van de volwassenen kreeg ze geen rechtstreeks antwoord. Papa zei dan geïrriteerd: “Dat komt heus wel in orde, meisje. Ga jij nou maar spelen.” Tante Laurien aaide over haar hoofd: “Maak je maar niet druk, Mientje.” En mama leek niet veel aandacht meer voor haar te hebben sinds papa terug was gekomen uit Singapore:

“Daar zullen papa en ik wel voor zorgen, jij hoeft alleen maar te spelen.”

Spelen! Hier in Makassar moest je dus spelen, al wist je niet hoe.

In Kampili, het interneringskamp waarin ze drie jaar had geleefd, kon je beter niet spelen, de Jappen waren overal en konden ieder moment weer een bevel brullen dat je niet verstond. Je mocht niet weglopen en dus kreeg je slaag omdat je niet gehoorzaamde. Daarom had ze buiten de barak altijd net gedaan alsof ze bezig was met iets dat haar was opgedragen. Het mocht vooral niet lijken op spelen, oftewel niets doen.

Meestal was ze ergens binnen. ’s Morgens vroeg kreeg ze soms les van een non in het houten schoolgebouwtje, maar elke dag begon om 11 uur het micasplitsen: tamelijk licht werk dat door de meisjes onder de veertien moest worden gedaan. De dunne plakjes waarin de mica uiteen viel werden gebruikt voor de Japanse oorlogsindustrie. Mientje had, net als de andere kinderen, geleerd wat dat moeilijke woord betekende en allemaal werkten ze daarom zo langzaam en onhandig als maar mogelijk was.

Daarna moest ze op haar broer Jantje van drie passen tot mama klaar was met werken. Ze was mama’s vertrouweling, net als haar broer Ap: ze kon geheimen bewaren en zorgen dat de dingen in orde kwamen en dat Jantje zijn bord eten kreeg bij de uitdeling en niet opzij werd geduwd. Ook moest ze goed opletten dat het jochie geen aandacht trok en daardoor misschien de boosheid van de Jap uitlokte.

Ze lette ook nu nog behoorlijk op, nu de jap verloren had en ze uit het kamp waren. Nu ze in een echt huis in Makassar woonden en een hele kamer voor hun vieren alleen hadden. In een andere kamer woonden de Hoogeveens met twee kinderen, en tante Laurien sliep in de eetkamer. Manja en Piet Hoogeveen en Ap en Mientje hadden de tuin grondig doorgesnuffeld en de bijgebouwen onderzocht op schuilplaatsen. Wie weet waar ze die nog voor nodig hadden, want er liepen nog steeds af en toe Japanners door de stad.

Er was nog iets waardoor Mien behoorlijk moest uitkijken: er kwamen steeds meer mannen in haar huis wonen. Ze was niet gewend aan mannen. Zouden ze ook de baas spelen, net als de Jappen? Elke man vroeg aan de kinderen: “En? Ken je me nog?” Maar Mien herkende ze geen van allen. Oom Hoogeveen was als eerste uit zijn mannenkamp terug in de stad gekomen. Hij had dit huis gevonden en hen toen allemaal uit het vrouwenkamp Kampili gehaald, dus hij woonde er al voordat de vrouwen en kinderen erbij kwamen. Daarna kwam de man van tante Laurien. Toen was ineens op een middag papa verschenen (thuisgekomen, zei mama). Een lange en brede magere man met zwart haar, die wel iets bekends had maar er toch als een vreemde uitzag.

“Dat is mijn Mientje” – zo zwaar klonk zijn stem. Hij had een arm om Mientje heen gelegd. Ze begreep dat ze moest blijven staan – mama glimlachte zo gelukkig naar haar – maar ze was bevroren van angst omdat ze gevangen zat en niet zou kunnen vluchten als dat nodig was. Stel je voor dat er ineens een Jap binnenkwam! Ze kon niet eens in de houding gaan staan Ze kon niet weglopen om Jantje te beschermen, niets. Ze had van toen af aan goed afstand gehouden tot papa, zodat hij haar niet weer vast kon pakken.

Haar vader! Mien kende hem eigenlijk niet meer. In het kamp hadden ze vaak en verlangend gepraat over de tijd dat hij weer bij hun zou zijn, in hun eigen huis in Makassar. En nu was hij er. Ze woonden wel in een ander huis, waar ze samen maar een kamer hadden, maar ze waren weer bij elkaar. Mien keek soms met verwondering naar mama als die een arm om papa’s hals legde en hem een zoen gaf. Mama was heel blij dat hij er was. Ze vond het niet erg als hij haar vasthield, terwijl ze dan toch niet weg kon. Maar Miens hart klopte angstig als papa dichterbij kwam: hij wou de baas spelen, net als de Jap altijd deed – en ze wist nog helemaal niet wat voor trucjes ze kon gebruiken om zijn bevelen te ontwijken. En mama lachte alleen maar als Mien die zorgen met haar wilde bespreken.

Nu hadden de volwassenen besloten dat ze weg zouden gaan, naar Holland. Iedereen in huis had een plaats kunnen krijgen aan boord van het MS de Tegelberg, dat in Batavia op hen lag te wachten. En morgen vertrokken ze al, met een kleiner schip dat hen van Makassar naar Java zou brengen.

Ze waren met niks uit het kamp gekomen, want bij de laatste brand waren de allerlaatste eigendommen van iedereen in rook opgegaan. Mien begreep best dat de matrassen en de muskietennetten waar ze nu op en onder sliepen en die nieuw waren, pas morgenochtend opgerold konden worden.

Maar hoe zat het met de pannen die ze hadden gekocht? Met de nieuwe kleertjes van Jantje? Met de spulletjes die ze in de as hadden gevonden en die nooit zoek mochten raken: het koperen tafelbelletje waarvan de klepel met een touwtje was vastgebonden, en het zakje met de zes knikkers van klei, waarin ze ook de blokkralen in vier verschillende kleuren had gedaan? De bomscherven die Ap had meegenomen; het met dons versierde pantoffeltje dat je kon ophangen en dat mama voor haar laatste verjaardag in het kamp had gekregen van tante Laurien?

En dan was er nog de naaidoos die die lieve Australische soldaat voor haarzelf had gemaakt. Australische soldaten hadden de kampen geopend, daarom was iedereen heel vriendelijk tegen ze. In ieder huis waren ze welkom en Mientje was helemaal niet bang voor hun uniformen.

Mien lag te draaien in het warme bed. Ze hoorde tante Laurien zeggen: “We moesten maar eens gaan inpakken en dan naar bed. Morgenochtend moeten we om negen uur op de kade zijn.” Mama voegde eraan toe: “We gaan met heel wat minder terug naar Holland dan waarmee we hier aankwamen! Dat pakken van ons zal niet meer dan tien minuten kosten denk ik. Maar we gaan wel naar bed, nog een laatste nacht naar de kikkers in de slokan liggen luisteren.”

De kikkers kwaakten diep, sonoor en ritmisch. Waren er geen kikkers in Holland, dat je er hier nog maar eens goed naar moest luisteren? En hoe wilde mama alles in tien minuten inpakken?

Toch was ze gerustgesteld. Als ze, zoals gewoonlijk, om zes uur opstonden, was er misschien toch nog genoeg tijd voor het pakken. Ze ging in gedachten nog eens na wat er mee moest en waar dat nu lag of stond en voelde toen de slaap in langzame golven over haar heen komen.